Prof. Rajni Palriwala

Fieldwork: The experiantal comparative and self-reflexivity

Discussant: Jojada Verrips

- Summary by Bo Gort

 

The author starts by stressing the historical and current importance for anthropology of fieldwork, which had formed the legitimising basis for the study of the "other". Participant observation in a face-to-face community was seen as enabling the anthropologist through her/his personal experience to 'learn' and 'know' and yet objectively describe the culture being studied. Post-modern reflections on the craft of anthropology, building on the post-colonial critique of objectivity claims, focus on the construction and writing of ethnography and the fact of multiple subjectivities in the field and of the fieldworker. However, the tendency has been to leave the fieldwork process and experiences themselves in a taken-for-granted, pre-theoretical space. This lacuna is reinforced by the implicit assumption in much of the literature that ethnographers are of or based in the societies/cultures that were/are the colonial/imperial powers; that the societies/cultures studied continue to be in what was the colonised world.

She suggests that anthropology requires a repositioned methodological reflexivity. She attempts to illustrate this through a comparative ethnography of the experience and practice of fieldwork as conducted by a "non-western" scholar (herself) in "her own society" and in the "west". These field-sites may be seen as shifting and reversing the classic relation between ethnographer and field. The choice of her first field site was channeled through disciplinary pressures, the demands made of scholars in decolonizing contexts, and material constraints which led 'third-world anthropologists' at that time to study a community within their own nation-state. Through the comparative ethnography, she relates how she actively constructed and delimited her field sites during the process of fieldwork, juggling decisions of intellectual, academic, and political intent and perspective, the decisions of the people being studied as to what she was in their lives, and personal likings, relationships, and trajectories.

 

Central to anthropological fieldwork has been the issue of rapport, another term for the personal relations and communication built in the field, through which the fieldworker comes to "understand". In recounting the problems and possibilities she encountered as a lone Indian woman conducting fieldwork in a Rajasthani village, she outlined the mutual construction of her persona by her and the villagers. Living in the public eye of the face-to-face community was difficult, but made her known to the villagers and enabled her to build personal relationships. Her gender, which at first seemed to create difficulties, in time gave her opportunities to enter otherwise inaccessible spaces and transcend local hierarchies. Her intention was to hear the voices of the non-dominant, essential for a critical anthropology.

 

While in Rajasthan, she had to struggle against being seduced by the apparent physical determinateness of the village community, the problem was reversed in her study of single parents in Leiden. They did not form a face-to-face community and social relations appeared individualised and compartmentalised. This led almost 'naturally' to the method of life history narratives. She had as deliberately to construct her field-site - the social world of her informants, including the non-immediate and the sense they made of it with the public media being more obviously part of their lives than had been so for Rajasthani villagers. She initially found that whenever she spoke to her informants she had to play the role of researcher, since every conversation had to be planned in advance and justified as an interview. This made it harder to establish a relationship with her informants and an "understanding" beyond the immediate instrumental business. Rather than her gender, her ethnic background was a concern, in which language was an important issue. Yet in using an interpreter in many of her interviews, not only did the interpreter become as a bridge between her and the informant, the three-way interaction enabled the building of a relationship between researcher and informant.

 

Finally, in both Rajasthan and Leiden, it was the process and intense experience of telling (by relatively marginal people and groups) and being heard that established a conversation and a relationship between researcher and researched. Their separate self-interests created a mutuality, even if limited, and relationships that were simultaneously instrumental and expressive. It is through such relationships that the persona of the informants and the fieldworker are made and ethnographic 'knowlege' realised.

 

 


Kort wijzen wij op de volgende toevoegingen die Rajni Palriwala maakte in verband met haar lezing:

 

Rajni Palriwala wijst erop dat door het gebrek aan privacy in het dorp in Rajasthan het voor haar wel mogelijk werd gewoon 'rond te hangen', hier en daar een praatje te maken en mensen te observeren zonder dat ze daarmee heel expliciet in haar rol van antropoloog kroop. Iets wat tijdens haar veldwerk in Leiden niet mogelijk was, aangezien privacy daar een belangrijke waarde bleek en het leven zich vooral binnenshuis afspeelde. Dit had tot gevolg dat ze voor elk interview eerst een afspraak moest maken, er weinig sprake kon zijn van participerende observatie en dat ze, tijdens interactie met haar informanten, meestal duidelijk haar rol van onderzoeker speelde.

 

Onder het kopje 'Constructing the field I' spreekt ze van het belang niet enkel de dominante stemmen uit een samenleving te representeren, om homogenisering van cultuur tegen te gaan. Tijdens haar lezing noemt ze in deze context expliciet de dalits wiens visie ze ook getracht heeft weer te geven.

 

Onder het kopje 'Constructing the field II' stelt ze dat het eigenlijk de aard van haar fieldsite was die haar heeft doen neigen naar narratieve methode. Ze vraagt zich af of dit een ervaring is die andere onderzoekers met haar delen.

 

Een punt dat in de tekst van haar lezing eigenlijk geheel buiten beschouwing blijft is het feit dat haar socialisatie in het veld al begon ruim voordat ze met het eigenlijke veldwerk begon. Dit omdat ze al eerder in Leiden had gewoond en gewerkt.

 

Vervolgens wijst ze op het voordeel van het type onderzoek (de teamstudy) waarin haar veldwerk plaatsvond: ze kon al haar bevindingen en zorgen gelijk delen met haar medeonderzoekers. Eenzaamheid was daardoor niet aan de orde.

 

Onder het kopje 'Reverse anthropology? Language and mediations' gaat ze in op de taalgerelateerde problemen die zij ondervond tijdens haar veldwerk in Leiden. Ze stelt dat de laatste jaren de nadruk iets minder op het belang van kennis van de taal is komen te liggen, aangezien het besef is doorgedrongen dat ook met kennis van de lokale taal volledig begrip van een samenleving onmogelijk is. Tegenwoordig is het gebruik van tolken dan ook meer geaccepteerd. Voor zichzelf vindt ze elementaire kennis van de taal echter wel noodzakelijk voor haar 'ethnographic respectability'. Ze heeft geworsteld met de vraag 'hoe kan ik een relatie opbouwen met mijn informanten als ik hun taal niet spreek?'. Ook aan het eind van haar lezing benadrukt ze nogmaals dat ze van tevoren bang was dat het haar niet zou lukken relaties op te bouwen met haar informanten. Uiteindelijk lukte dit dankzij haar taalkennis en de geschikte tolk.

 

Het allerlaatste deel van haar lezing week wel af van de vooraf beschikbaar gestelde tekst. Hierin ging ze in op het type relaties dat ze is aangegaan in het veld. Ze wees er daarbij op dat zogenaamde instrumentele relaties niet in tegenstrijd hoeven te zijn tot meer expressieve relaties. De rol van onderzoeker die uit eigenbelang op zoek is naar informatie liet zich verenigen met de rol van begripvol luisterend oor.

 

Referent: Prof. Dr. Jojada Verrips

 

Professor Verrips begint met het aanduiden van de overeenkomsten tussen zijn eigen onderzoek en het onderzoek van professor Palriwala. Want ook hij ondernam tweemaal antropologisch veldwerk in zijn land van herkomst, zij het vanwege andere redenen dan mevrouw Palriwala. Hij onderzocht de rol van religie in een dorp vlakbij zijn geboorteplaats. Hij herkent de opmerkingen van Palriwala over de constructie van het veld. Met name tijdens zijn tweede onderzoek, onder binnenvaartschippers ondervond hij problemen met deze constructie door de versnippering van het veld, aangezien zijn onderzoek een beroepscategorie betrof en geen lokale gemeenschap. Ook wat betreft de taalproblemen zijn er overeenkomsten tussen Verrips en Palriwala; in West-Afrika heeft ook hij gebruik moeten maken van een tolk.

 

Er zijn uiteraard ook verschillen: ten eerste is Verrips een man en Palriwala een vrouw hetgeen belangrijke consequenties heeft voor het veldwerk; waarop de spreker overigens niet in gaat. Ten tweede komt Verrips uit het gebied waar de antropologie is ontstaan en Palriwala uit een gebied waar het naar is geëxporteerd.

 

Na deze inleidende punten gaat Verrips over tot het becommentariëren van de lezing. Ten eerste wijst hij erop dat Malinowski niet de uitvinder was van het antropologisch veldwerk, zoals Palriwala veronderstelt. Hij noemt Frank Hamilton Cushing die reeds in de tweede helft van de 19e eeuw veldwerk verrichte.

 

Vervolgens noemt hij de lange traditie van 'anthropology at home' die bestaat onder Europese antropologen en waar Palriwala aan voorbij gaat. Met Arthur Jackson als vertegenwoordiger van dit type onderzoek werd al ver voor de tweede wereldoorlog in de landen van herkomst veldwerk gedaan. Tijdens en na de dekolonisatie is deze stroming verder gegroeid. Ook tegenwoordig is het populair om 'thuis' veldwerk te verrichten. Het zogenaamde 'nieuwe veld' zoals de niet-westerse antropologen dat aantroffen was dus deels al in kaart gebracht. Verrips verwijt het Palriwala dat ze niet meer aandacht heeft voor deze traditie in de antropologie.

 

Ook is hij van mening dat Palriwala onvoldoende oog heeft gehad voor andere zuidelijke antropologen die in Europa (onder andere in Nederland) onderzoek deden. Als voorbeelden noemt hij Flavien Ndonko (een Kameroenees die in onderzoek deed naar de relatie tussen de Duitsers en hun honden) en Prakash Reddy (die veldwerk deed in Denemarken). Verrips wijst erop dat hun ervaringen relevant zouden kunnen zijn voor haar eigen onderzoek. Evenmin noemt Palriwala de Indiase antropologen die in de jaren 80 onderzoek deden in Nederland en soortgelijke ervaringen en problemen doormaakten als zijzelf.

 

Ten slotte plaatst Verrips vraagtekens bij de term 'breaking the silence' die Palriwala gebruikt. Volgens hem is het taalprobleem te groot om aan de respondenten echt de gelegenheid te bieden de stilte te verbreken door over hun eigen ervaringen te praten. Daarbij komt dat zo lang Palriwala in het engels publiceert haar informanten geen baat hebben bij haar onderzoek. En Verrips is van mening dat het toch wel gepast is iets terug te geven aan je respondenten (hijzelf publiceert overigens ook enkel in het engels).

 

Vragen vanuit het publiek:

 

Vraag: Hoe zou het zijn geweest als u eerst in Leiden en daarna pas in India veldwerk zou hebben gedaan?

 

Professor Palriwala besluit het antwoord op deze vraag voor de volgende dag te bewaren.

 

Vraag: Waarom heeft u een Indiase vrouw gekozen om als tolk en 'brug' tussen u en de informanten op te treden?

 

Antwoord: We hebben haar niet geselecteerd op haar Indiaas zijn. Dankzij haar persoonlijkheid en de aard van het veldwerk kreeg ze als vanzelf deze rol. We wilden iemand die meer deed dan alleen tolken, we wilden iemand die rapport zou kunnen opbouwen. Aan dat criterium voldeed ze. Daarbij: ze woont al 25 jaar in Nederland en is eigenlijk vooral een Nederlandse.

 

Vraag: Hoe kon u de rol van antropologisch onderzoeker combineren met uw rol van feministisch activist?

 

Vraag: toen u eindelijk geaccepteerd werd door uw onderzoekssamenleving (in Rajasthan) was dat op termen die u niet zelf gekozen had. Ook werd u geclassificeerd volgens categorieën waar u het wellicht niet mee eens was. Hoe was dat voor u? (Deze vraag van Sabine Luning heb ik helaas niet geheel kunnen volgen.)

 

Gecombineerd antwoord op bovenstaande twee vragen: De rollen van antropoloog en activist zijn niet strijdig met elkaar. Ook toen ik mijn veldwerk deed in Rajasthan werd het standpunt dat je vooral naar de zwakkeren in een samenleving moest luisteren al geaccepteerd. Als activiste maak je eigenlijk expliciet wat sociale wetenschappers doen maar impliciet laten. Slechts in een enkel geval contrasteren beide rollen met elkaar en moet je er een laten prevaleren. Als antropoloog zal je bijvoorbeeld niet naar de politie gaan wanneer je een vrouw verslag hebt horen doen van mishandeling, als activist misschien wel. Dankzij mijn positie van elitevrouw en mijn kennis van de lokale hiërarchieën was ik in staat deze hiërarchieën te overstijgen en had ik meer mogelijkheden tot het ontduiken van het publieke oog.